Jeugdwet: nakomen jeugdzorgplicht vereist stevige zorgvuldigheid van gemeenten

Inleiding

De nieuwe Jeugdwet is op 1 januari 2015 in werking getreden. Die wet legt de taken rondom jeugdhulp bij de gemeenten. Vanwege transformatie-doelstellingen – die een jaarlijkse besparing moeten opleveren van een half miljard euro – voorziet de Jeugdwet niet langer in een recht op zorg, maar in een jeugdhulpplicht van de gemeenten. Het doel van de nieuwe Jeugdwet is het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgende en probleemoplossende vermogen van het gezin en de sociale omgeving. De jeugdhulpplicht van de gemeenten geldt pas als de jeugdige en zijn ouders zelf niet in staat zijn de benodigde jeugdhulp te leveren. Gemeenten mogen een zelfstandige afweging maken over welke voorziening moet worden getroffen. Op 1 mei 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn eerste uitspraak gedaan over de nieuwe Jeugdwet.[1] Een belangrijke uitspraak die de beoordelingsvrijheid van gemeenten beperkt. Vereist wordt dat bij het nakomen van hun jeugdzorgplicht, gemeenten uitermate zorgvuldig besluiten. Wanneer een besluit niet (mede) gebaseerd is op een vereiste (ingewonnen) specifieke deskundigheid, zal de rechter dat besluit vernietigen.

De feiten

In deze zaak ging het om een jeugdige met psychische problemen die onder de oude wetgeving zorg kreeg in de vorm van begeleiding. Met de invoering van de Jeugdwet heeft zij de gemeente gevraagd om verlenging van de begeleiding. De gemeente wees de jeugdhulp af. Volgens de gemeente is haar moeder voldoende in staat om de begeleiding te geven die nodig is. De gemeente heeft haar standpunt gebaseerd op een advies van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). De jeugdige gaat in beroep bij de CRvB tegen deze afwijzing.

De CRvB stelt dat de gemeente gehouden is te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is en welke voorziening dit dan is. Dit betekent dat de gemeente voldoende kennis moet vergaren over de van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit houdt in dat de gemeente moet vaststellen:

  1. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is, en
  2. of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn.

Pas daarna kan de gemeente bepalen welke hulp nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet de gemeente onderzoeken of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossende vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient de gemeente een voorziening van jeugdhulp te verlenen.

Voor zover het onderzoek naar de nodige jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal de gemeente ervoor moeten zorgen dat die specifieke deskundigheid geborgd is en dat deze deskundigheid kenbaar is voor de hulpvrager.

In deze situatie heeft de gemeente haar besluit gebaseerd op het gezinsplan van het CJG. Dit gezinsplan schoot volgens de CRvB tekort, waardoor de gemeente verplicht is het verzoek om jeugdhulp opnieuw in overweging te nemen. Om redenen van efficiency bepaalt de CRvB dat, mocht de jeugdige tegen dit nieuw besluit bezwaar willen maken, dit bezwaar direct bij de CRvB aanhangig kan worden gemaakt.

Conclusie

Weliswaar is door de nieuwe Jeugdwet niet langer sprake van een recht op jeugdzorg, maar door deze uitspraak is er wél recht op een zorgvuldige en deskundige probleemanalyse, en een gemotiveerd besluit van de gemeente hoe zij haar jeugdzorgplicht nakomt. De overwegingen van de CRvB zijn dermate ‘streng’ dat ik verwacht dat een gemeente nauwelijks kan afwijken van het deskundige advies over te leveren jeugdhulp. Jeugdigen dan wel jeugdhulpinstellingen doen er verstandig aan om, bij het indienen van hun verzoek om hulp bij de gemeente, hun verzoek gemotiveerd te onderbouwen en te baseren op deskundig advies. En het verzoek niet alleen te baseren op de hulp die in het verleden verleend werd.
Goed nieuws voor een jeugdhulpsector die in crisis verkeerd. Deze uitspraak is een stap terug naar ‘recht op jeugdhulp’. Niet verwonderlijk want recht en plicht zijn twee zijden van dezelfde medaille.

Henry Goverde

[1]. Centrale Raad van Beroep, 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477).

Share this: